Soms gaat het ineens heel snel. Een moeder wordt binnengereden en de gynaecoloog maakt een inschatting van de situatie. De geboorte remmen? Keizersnee?
 

  Spontane vroeggeboorte
Oorzaken
Corticosteroïden
Zwangerschapsvergiftiging/HELLP
Keizersnee
Apgarscore
De eerste indruk
Naar de intensive care

 
 
Spontane vroeggeboorte
Van de vroeggeboortes is vijfenzestig procent spontaan. Risicogroepen voor een spontane vroeggeboorte zijn vrouwen die al eerder een vroeggeboorte hebben gehad en vrouwen die zwanger zijn van een meerling.

Een gynaecoloog schat op basis van het weeënritme en de situatie van de baarmoedermond in of de bevalling daadwerkelijk op gang is gekomen. Vaak líjkt het alleen maar of een vrouw gaat bevallen. Als de lengte van de baarmoedermond goed is, kan een vrouw ‘gewoon’ weer naar huis. Dan is er sprake van een schijnbevalling.

terug

Oorzaken
Bij spontane bevallingen is het vaak onduidelijk waarom die op gang zijn gekomen. Een arts kan wel nagaan of er iets is geweest met de baarmoeder of de baarmoedermond, maar waarom dat nou zo is, is vaak moeilijk te zeggen. Bacteriële vaginose
Hormonen bepalen wat de spieren van de baarmoeder doen. Zo houdt onder andere progesteron de baarmoeder rustig, oestrogenen daarentegen zorgen ervoor dat prostaglandinen en oxytocine de baarmoederspier kunnen laten samentrekken. Progesteron en oestrogeen moeten in de juiste verhouding aanwezig zijn, anders trekt de baarmoederspier samen en gaat de baarmoedermond openstaan. Dan kan een ontsteking ontstaan. Door deze ontsteking komen onder andere prostaglandinen vrij, die weer zorgen voor samentrekkende bewegingen (contracties) van de baarmoeder. Dan kan de bevalling op gang komen.

In de vagina komen talloze bacteriën voor. Normaal zorgen goede bacteriën, Lactobacillen, voor het evenwicht. Een overgroei van slechte bacteriën kan leiden tot bacteriële vaginose. Slechte bacteriën veroorzaken een prostaglandine-productie, waardoor de baarmoedermond slap wordt. Dat kan de bevalling op gang brengen. Ook als de vliezen ontstoken raken, kan prostaglandine worden aangemaakt. Bij bacteriële vaginose helpt behandeling met antibiotica.


Hogere leeftijd van de moeder
In Nederland ligt de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen zwanger worden van hun eerste kind op ruim 29 jaar. De laatste jaren neemt dit gemiddelde niet meer toe. Met de leeftijd komen de risico’s:
  • meerlingzwangerschap
  • hogere bloeddruk
  • zwangerschapssuiker
Meerling
Bijna de helft van alle tweelingen wordt te vroeg geboren. Meerlingen komen vaker voor dan voorheen door kunstmatige voortplantingstechnieken ─ bij IVF en ICSI is de kans op een tweelingzwangerschap aanzienlijk verhoogd ─ en een hogere leeftijd van de moeder.


Overgewicht/roken
Andere oorzaken van problemen in de zwangerschap die de kans op een vroeggeboorte verhogen, zijn:
  • overgewicht
  • roken van sigaretten; dit leidt niet alleen tot een grotere kans op vroeggeboorte maar ook tot kinderen met een lager geboortegewicht (dysmatuur).
Opnieuw zwanger
Een vrouw die de eerste keer spontaan te vroeg is bevallen, loopt een groter risico dat dit een tweede keer weer gebeurt. In die gevallen zal de gynaecoloog onderzoeken of er sprake is van een bacteriële vaginose en als dit zo is de zwangere behandelen. Als de arts vermoedt dat de baarmoedermond te zwak is, dan kan deze verstevigd worden met een bandje waardoor de baarmoedermond niet meer voortijdig open gaat. Ook kan een vrouw bij een tweede zwangerschap tussen de 16e en de 36e week progesteron krijgen, een geslachtshormoon dat de kans op een vroeggeboorte vermindert.
terug

Corticosteroïden
Bij een dreigende vroeggeboorte onder de 34 weken kan de vrouw aan een weeënremmend infuus worden gelegd. Dit geeft de mogelijkheid om corticosteroïden te geven, die de longrijping bevorderen. Corticosteroïden krijgt de moeder in haar been of bil geprikt. Ze hebben tijd nodig om in te werken: het effect is optimaal na 24 uur. Corticosteroïden worden alleen gegeven als het positieve effect op longrijping van het kind en de verminderde kans op hersenbloeding zwaarder wegen dan de mogelijke langetermijneffecten.
terug

Zwangerschapvergiftiging
Vijfendertig procent van de vroegbevallingen is opgewekt ofwel iatrogeen. Risicogroepen zijn zwangeren met een zwangerschapvergiftiging in de voorgeschiedenis en vrouwen met een bestaande hoge bloeddruk. De oorzaak kan ook bij het kind liggen: als het zo ziek is dat het buiten de baarmoeder meer kansen heeft dan erbinnen, wordt de bevalling ook op gang gebracht.

Bij een zwangerschapsvergiftiging wordt een moeder tijdens de zwangerschap ernstig ziek door een te hoge bloeddruk of te veel eiwit in de urine. Daarbij speelt vaak ook een verminderde functie van de moederkoek, zodat het kind te weinig voedingsstoffen en zuurstof krijgt. In het geval van HELLP is er sprake van een afbraak van rode bloedcellen, een gestoorde leverfunctie en een tekort aan bloedplaatjes. De letters HELLP staan voor Hemolysis Elevated Liver enzymes and Low Platelets. Het komt voor bij ongeveer 1 op de 300 zwangerschappen. Bij zwangerschapsvergiftiging of HELLP is de enige behandeling: de bevalling op gang brengen.

terug

Keizersnee
Als een prematuur kind moet worden gehaald met een keizersnee (sectio), zijn hierbij zowel de gynaecoloog als de neonatoloog betrokken, naast nog een aantal verpleegkundigen en specialisten.

Rolverdeling
De meeste NICU’s zijn onderdeel van een opleidingsziekenhuis. Daarom worden bij operaties als een keizersnee ook artsen in opleiding betrokken. Bij een keizersnee kunnen aanwezig zijn:
  • verpleegkundige OK
  • gynaecoloog
  • arts-assistent gynaecologie
  • neonatoloog
  • arts-assistent kindergeneeskunde (één per kind, dus twee bij een tweeling)
  • anesthesioloog
  • arts-assistent anesthesie
  • anesthesieassistent
  • omloop anesthesie
  • omloop die de operatiematerialen aanreikt
  • verpleegkundige (één per kind)
  • stagiaire verpleegkunde.
  • Iedereen heeft zijn of haar vaste plek rondom het bed.
Ruggenprik of narcose
Een keizersnee gebeurt onder volledige narcose of met een ruggenprik. Een ruggenprik is voor het kind beter dan volledige narcose. Voor de gynaecoloog is het prettiger omdat hij niet onder tijdsdruk hoeft te werken. Bovendien kan de moeder haar kind(eren) zien. Maar een ruggenprik is niet altijd mogelijk. De voorbereiding duurt langer en daarom zal een acute bevalling eerder onder volledige narcose worden uitgevoerd. En soms heeft een moeder voorkeur voor narcose. Bij een ruggenprik is de anesthesioloog continu aanwezig om de medicatie bij te sturen. Want als gevolg van de ruggenprik daalt de bloeddruk van de moeder en daar heeft ze medicijnen voor nodig, naast natuurlijk de medicatie om haar te verdoven. Als er flink aan de buik moet worden getrokken, krijgt de moeder een spierontspanner en extra verdoving om te voorkomen dat ze flauwvalt.
terug

Apgarscore
Zodra een kind is gehaald, gaat het van de operatietafel naar de behandeltafel van de kinderarts. Daar wordt het afgedroogd en gestabiliseerd. De arts zuigt het mondje uit en controleert de hartslag, ademhaling, kleur, spiertonus en reflexen. Dat zijn de onderdelen van de Apgarscore. Deze test wordt twee keer gedaan: vlak na de geboorte en vijf minuten erna. Dan wordt het kind in de transportcouveuse gelegd en aangesloten op de monitoren. Zo mogelijk - als de moeder niet onder narcose is - krijgt ze het kind eerst nog te zien.
terug

De eerste indruk
Een neonatoloog ziet in één oogopslag of een kind gezond is of dat er sprake is van een zorgwekkende situatie. Een goede start betekent veel voor het verdere verloop van de couveusetijd. De meeste kinderen worden gezond geboren, het is de kunst van de arts hen een aantal weken gezond te houden en dan gezond af te leveren. Alle ingrepen hebben een schaduwkant en een arts zal dan ook altijd de afweging maken wat beter is: ingrijpen of het kind op eigen kracht laten groeien. Zo zal hij/zij direct na de geboorte goed op de ademhaling letten en ingrijpen zodra dat nodig blijkt te zijn, door het kind aan de beademing te leggen of bijvoorbeeld extra zuurstof te geven. Ouders, maar ook de verpleging, hebben de neiging om de situatie pessimistischer te zien dan die is. De beste informatiebron is het kind zelf. Niet teveel fixeren op de monitor en afgaan op de piepjes, maar aandachtig kijken naar de signalen van het kind.
terug

Naar de intensive care
Van de operatiekamer gaat het kind naar de intensive care voor pasgeborenen, de NICU. De vader gaat meestal met het kind mee. Hij maakt het eerste uur van het kind mee en ziet welke handelingen worden gedaan. Vaak is er op de NICU een fototoestel, zodat de moeder zo snel mogelijk een foto van haar kind krijgt. Zodra de bevalling/keizersnee is afgerond, kan ook de moeder naar het kind toe, met bed en al. Voor het eerst kan ze haar kind eventjes aanraken. De verpleging maakt even kennis en geeft een korte uitleg welk slangetje waartoe dient. Verdere informatie is op dit moment overbodig, omdat de ouders meestal overdonderd zijn en de moeder bovendien moet bijkomen. De dagen erna raken de ouders stapje voor stapje thuis in deze situatie die ze totaal niet hadden verwacht.
terug